De laatste onderhandelingen in Oujda tussen de Rifijnen, Frankrijk en Spanje in 1926
Op 7 mei 1926 kwamen de vredesonderhandelingen tussen de Rifijnse regering en de Franse en Spaanse koloniale mogendheden ten einde. Deze onderhandelingen waren op 17 april 1926 begonnen en vonden plaats in de stad Oujda. De Rifijnse regering werd vertegenwoordigd door de volgende onderhandelaars: Mohamed Azarkan, minister van Buitenlandse Zaken en hoofd van de Rifijnse delegatie; Haddou Ben Hammou Lakhal, verantwoordelijk voor Algemene Zaken, diplomatie en de communicatie met Frankrijk; en Mohamed mmis n Rḥadj Cheddi, de tweede man van het ministerie van Buitenlandse Zaken na Azarkan en een naaste adviseur van de president van de Republiek van de Rif, Mohamed Abdelkrim Khattabi.
Het doel van de onderhandelingen was een einde te maken aan de oorlog in de Rif. De gesprekken vonden plaats nadat de Rifijnen hun zaak internationaal bekend hadden gemaakt en nadat verschillende volkeren over de hele wereld hun solidariteit met het Rifijnse volk hadden betuigd.
Door deze groeiende steun zocht Spanje hulp bij Frankrijk. De twee imperiale mogendheden besloten daarop te onderhandelen met de Rifijnen, die zij eerder hadden onderschat en niet wilden erkennen. Ze hoopten ook dat de onderhandelingen hun eigen bevolking zouden afleiden, van wie velen tegen voortzetting van de oorlog tegen de Rifijnen waren.
Tot de belangrijkste eisen die aan de Rifijnen werden voorgelegd, behoorden:
- de verbanning van de president van de Republiek van de Rif, Mohamed Abdelkrim Khattabi;
- het plaatsen van de Rif onder het gezag van de sultan van Fez;
- de volledige ontwapening van de Rifijnen.
Frankrijk en Spanje stelden ook een vorm van zelfbestuur voor de Rif voor, onder de soevereiniteit van de sultan van Fez, die het protectoraatsverdrag met Frankrijk had ondertekend. De Rifijnen beschouwden deze voorstellen echter als onaanvaardbaar. Zij wilden alleen erkenning van de Rifijnse onafhankelijkheid, het doel waarvoor zij altijd hadden gestreden.
De Rifijnse delegatie wees deze voorwaarden af. Beide partijen hielden vast aan hun standpunt en tijdens de onderhandelingen in Oujda werd geen akkoord bereikt. De Rifijnen raakten er nog meer van overtuigd dat zij alleen op zichzelf konden rekenen.
Frankrijk had samen met de sultan van Fez al een grote troepenmacht verzameld in het zuiden van de Rif. Ook Spanje had een sterk leger in de bezette Rifijnse gebieden en voerde van daaruit aanvallen uit op de Rif. De hoofdstad van de Republiek van de Rif, Ajdir, was in 1925 al in handen van de vijand gevallen na de landing in de baai van Al Hoceima.
Deze landing was een amfibische militaire operatie die op 8 september 1925 plaatsvond in de baai van Al Hoceima. Ze werd uitgevoerd door het Spaanse leger en de Spaanse marine, met steun van Franse zee- en luchtstrijdkrachten. De operatie markeerde een belangrijk keerpunt in de Rifoorlog en wordt beschouwd als een van de eerste moderne amfibische operaties waarbij tanks en luchtsteun samen werden ingezet. Ze wordt ook gezien als een voorloper van latere geallieerde amfibische landingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoals de landing in Normandië.
Ook buitenlandse huurlingen namen deel aan de oorlog in de Rif, onder wie Amerikaanse piloten en Duitse en Portugese huursoldaten.
Dit was het begin van de ondergang van de jonge Rifijnse staat. Volgens veel waarnemers waren de onderhandelingen in Oujda in 1926 slechts een schijnvertoning, bedoeld om de kolonisatie van de Rif op een ogenschijnlijk legitieme manier te rechtvaardigen. Vergelijkbare voorbeelden zouden later volgen in het Akkoord van Madrid van 7 april 1956 tussen de Spaanse dictator Franco en sultan Mohammed V, en tijdens de Conferentie van Aix-les-Bains van 22 augustus 1955 tussen ‘Marokkaanse’ vertegenwoordigers en Frankrijk.

